TROUWEN.
Suus schilde aardappelen. De bak rondde in haar schoot, de emmer stond aan haar voeten. Telkens spatte het water tegen het paarse voorschort.
Anna, aan de overzij van de keukentafel, haalde boontjes af, knapperde ze in tweeën, wierp ze in het geëmailleerd steelpannetje.
„Suus, ’t is kwart over negen,” waarschuwde ze.
„Alle tijd,” meende Suus.
„Kom nou maar liever wat te vroeg dan te laat,” drong Anna aan, ongerust.
Suus zette den bak op tafel, schudde het voorschort met vegende handen, begon voor den kleinen keukenspiegel de papiljotten uit het blonde haar te draaien.
„Schil jij de aardappels terwijl af,” zeide ze.
„Jawel, jawel,” knikte Anna.
De kam ging door het haar, wolde het op tot glanzig gepluim. Langs de ooren streek ze het glad, trok het verschoten jacquet je uit.
Dan met coquette beweeg, de bloote armen opheffend, handen zacht-van-gebaar, drukte ze sliertjes wat weg die nog wilden hippen uit ’t haar.
En haar Zondagsch jacquetje van hel-pompadour trok ze aan, opstreelend de poffen der armen, netjes toeknippend de ijzeren oogen.