DOOIE WILLEM. 201
Het geelhouten kistje, klein en vierkant op het zwarte geraamte van de draagbaar, staat in den kring van de boeren, die er teuterig naar kijken.
De eene broer neemt z’n hoogen hoed af, houdt hem in de twee handen, tuurt suffig naar den grond. De andere broer aarzelt even — de wind striemt bits-stuivend over het sneeuw-kerkhof —, kijkt rond, neemt z’n hoed af. De vader, stroef, bot-van-be-weging, houdt de handen in de jaszakken, kijkt naar ’t opengebikt stuk aarde. De eene zoon stoot hem aan en hij ontbloot ’t hoofd, ’n kaal-glanzig hoofd, waarom heen de wind de rooderig-grijzige haarpluimen vlokt
Zwart snijden de groote lichamen van de dragers en van de bloedverwanten in ’t cementmuurtje, waarbij het graf is gegraven. Een boer heeft touwen onder ’t kistje gelegd. De andere, bedrij-viger nu, vatten aan en de geelhouten doos zakt in het graf, tusschen de dammetjes van bevroren aardkluiten in het veld van malsch-donzige sneeuw.
Ting. Ta-ang.
Ting-Ta-ang. Ting. Ta-ang....
De boer trekt de touwen uit het graf. De andere, verlegerig, niets meer te doen hebbend, kijken tiaar z’n handen die netjes ’t touw op ’n rolletje wentelen in de sneeuw.
Ting-Ta-ang.
En de eene broer zet z’n hoogen hoed op.
En de andere broer zet z’n hoogen hoed op.
En de vader zet z’n hoogen hoed op.
Stil-stappend in de plakkende sneeuw, voet voor voet, plomp-plomp gaan ze over het wegje van vertrapte sneeuw over het kerkhof naar buiten. De veldwachter slaat an en de menschen voor het hek, de vrouwen en mannen en kinderen gapen, met open monden van verwondering naar Ari en Simon en Jaap.