DOOIE WILLEM. 197
ijzeren tuinhek wachten boeren met de handen in de zakken, wat samenhokkende vrouwen. De mannen log in hun pilowbroeken, slobberig in de blauwe kielen met losoverhangend pilowbuis kletsen en spuwen bruine spiraalwiggetjes in de sneeuw. Uit de klompen steekt het geel-gebroken hooi; de vrouwen knutsbabbelig kijken over den weg. Ting-Tang.
Ting. Ta-ang.
De school gaat uit. Klotsend kletteren klompjes over de ijsbulten van den weg. Het hout schokt met een schurende kraking, als de klompjes met ’n vroolijken zet over de ijsglanzing schuren. Het uitjoelende kindergepraat en geschreeuw schalmt in de droge, strakke lucht, over het sneeuwveld, over de rustig bollende witte duinen. Sneeuwballen raketten, pafverpoeierend tegen de zwarte lichaampjes. De klompjes schokken op ’t ijs. De adem dampt in witte builen, ’n Paar meisjes, kouwelijk, met blauwe neuzen, schurken zich in ouwe manteltjes, klepperen met de harde klompen over den weg. En ’n jongen rolt in de sneeuw, dat ’t stuifmeelt om z’n haren en de sneeuw verplet tot een wittig deeg.
Jö, d’r wordt begrave!. .. .”
»Wordt ’r begrave?”
»Wie-ie?”
»Willem.”
»Is Willem dood?”
„Jongens daar hebbie Willem!”
De klompjes walsen de sneeuw in wild gedraaf naar ’t kerkhof. Achter elkander rennen ze, schokkerig met de klompjes glijdend over elk plasje en dan weer dravend, ’n wilde stoet met gilletjes en schreeuwen en ’n sneeuwbal die wit tegen ’n rug ploempt. Ze hollen den veldwachter voorbij,