DOOIE WILLEM.
Ting-Tang.
Ting-Ta-ang.
Om het breede sneeuwveld, met de daakjes dof-roodend, de geveltjes mat wittend in zonlicht, cirkelt het gehucht.
Het sneeuwveld is een kalm wit dal, ingevroren tusschen de harde, besneeuwde duinruggen en de kleine, krommende haag boerenhuisjes.
In de verte, vinnig in de strak-blauwe lucht, spitst de toren van de stad.
Zonlicht golft op de duinruggen, die aanloomen als ’n stollende witte zee.
Ting. Tang.
Ting. Ta-ang.
De weg krult om het sneeuwveld, helderwit, met wagensporen in de zilverschubbensneeuw, met glimmende ijskorsten aan de zijden.
De wind slaat bits, koud, vinnig tegen de huisjes, tegen de houten afrastering van het veld.
De veldwachter, met de muts op de oogen en ’n pijpje in z’n mond, sjokt plomp over den eenzamen blankwitten weg, naar het kleine kerkhof. Zwaar onder ongerepte sneeuw van helwitzwanen-dons ligt de koude, harde steengrond. Voor het