i86 ANGST AVOND.
aanschen hemel — of om een meer frisch beeld te gebruiken: gelijk een dynamietbom die nachtegalen-gekweel verstoort, bonsde de schrik, de roodgieren-de paniek door de hoofden van mevrouw, mijnheer en Jans.
De moordenaar: er was geen twijfel meer, de bedelares had handlangers, had zijn voet tusschen drempel en deur gezet.
Ganschelijk ontzet, met verwilderde oogen, duwde meneer, duwde mevrouw, duwde Jans. De deur week schuin uit, maar de voet bleef er tusschen.
„Waarom heb je ook ope gedaan!” jammerde mevrouw Duimelaar, geboren Babs.
„Kallem! Kallem wrou,” zwaar sprak mijnheer: „vuile, gemeene boeve wille jullie weggaan... ’k zal om politie telephoneere! Wacht maar is!... Caesar!... Nero!... Pak ze Nero!... Pluto!... Haal je je voet weg gespuis! Leelijke moordenaars! Boeve! Jans, giet jij is wat kokende olie uit ’t raam!... Haal je je poot weg!. .. Wacht is eve ... ’k Zal me geweer hale!”
„Blijf nou hier, Eduard! Laat me nou niet met Jans alleen, Eduard!”
„Blijf, wroü! ’k ga me geweer hale!”
Mevrouw en Jans drukten met de volle wicht heurer zwaarlijvigheid tegen de geketende deur. Mijnheer liep naar de keuken.
De voet, de geheimzinnige moordenaarsvoet bleèf tusschen de deur.
„Strakkies vijle ze de ketting door,” steunde mevrouw.
„Leelijke Klaas Boes!” beleedigde de meid achter de deur.
Meneer kwam met de pook terug.
„Ach Got, Eduard, steek je arm niet door de deur,” smeekte mevrouw.