ANGST AVOND. 185
„ ... Hier Nero!... Hier!... Koescht Nero!... Laat Caesar eens los, wróü!... Koescht Nero!” ...
Het keeshond] e wefwefte als een geschudde steenen spaarpot met wat duiten er in.
„ ... Wie is daar?” baste meneer achter de deur.
Buiten klonk een vrouwestem.
„Watte?” brulde meneer: „Koescht Nero!”
De stem buiten was niet te verstaan.
Meneer schoof den bovensten grendel weg.
„O! O! O!... Wat ga je beginnen,” zenuw-dribbelde mevrouw.
„Kallem! Kallem, wroü,” suste meneer, met lijzige breedheid van gebaar en weer harder: „Jans, laat Caesar en Pluto los!... Doe ze de muilkorve af.”
Ferm opende hij nu de deur. Dat wil zeggen: de koperen ketting bleef in den haak. Er kwam dus een kier van een handbreedte, waardoor geen misdadiger zou kunnen binnensluipen, zelfs al ware hij tweemaal schraler, tweemaal knikkebeenachtiger dan mijnheer Duim^laar.
Het keeshondje wefwefte in de armen van Jans,
„Wie is daar? Wat mótte jullie?” bralde mijnheer.
„Een arreme, ongelukkige...”
„Watte? .... Mot jij zoo laat komme bedele! ”
„*n Schandaal! ’n Schandaal!” riep mevrouw.
„Zwijg, wróü,” zei meneer plechtig.
„Een arreme, ongelukkige vrouw, meneer!... Ach God, geef u asjeblieft 'n dubbeltje, da’k bij ’t Heilsleger...”
„Ruk uit! Alle donders!” vloekte meneer en gaf ’n duw tegen de deur.
Ontzetting.
Gelijk een donderslag bij helderblauwen Itali-