ANGSTAVOND.
„Pas u toch op, meneer ... als ze met messe steke,” riep Jans.
Maar meneer, bloeddorstig-kalm, priemde met de pook in de deurkier en sloeg een paar maal met verwaten, overmoedige driestheid naar den voet, naar den sarrenden voet, naar den moordenaarsvoet, die cynisch op dezelfde plek bleef en eksteroog-vrij scheen te zijn.
„Ga je weg, boéf! — Pats — Haal je je voet uit m ij n huis ? — Pats — Gemeene sluipmoordenaar!
— Pats — Dievenrapalje! — Pats — Zwarte bende!
— Pats — Haal je je voet er uit? — Pats — Haal je je voet er uit? — Pats — Ik schiet hoor?
— Pats — Ik schiet je in je been! — Pats — Ga liever wèrke! — Pats — Verdien liever — Pats
— een fatsoenlijk stuk brood, straatroover! — Pats — Pats Pats —
„Strrrruikróóvers!” — gilde mevrouw door de kier. „Klaas Boes!... Jut! Jut!” — schreeuwde Jans. Hijgend, angstig tegenover den voet, die onwrikbaar bleef, die al hun hartstochten en vreezen ver-hoonde, leunden, schreeuwden ze en v o c h t mijnheer. Keeshondje wefwefte allernijdigst.
Het was een hopelooze toestand, uiterst kritiek. „Wat had je ’r ook an om ope te maken,” ween-zuchtte mevrouw.
„Kallem, kallem, wróü,” zei mijnheer, die telkens kwaadaardige, vinnige pookuitvallen dee naar ’s moordenaars eksteroogen.
Plotseling liep Jans ’n end achteruit.
„Meneèr! Meneèr!” ...
„Wat gil je nou?” ...
„De mat zit ’r tussche! Hahaha!*
„Zit de mat *r tussche?”
„Ze heeft gelijk, wróü!”
Overwinnelijk-zeker, met iets in zijn houding van