ANGSTAVOND.
Mijnheer Duimelaar zat in z’n hemdsmouwen voor een broodje met kaas en een kop koffie. Mevrouw Duimelaar dutte. Het Keeshondje tukte. De meid was in de keuken.
Aldus was de situatie, ’s avonds half elf, toen er gescheld werd.
Mijnheer Duimelaar lei met beslistheid z’n mes neer en luisterde.
Mevrouw schrikte op en luisterde.
Keeshondje wefwefte bij de kamerdeur.
Dienstmeisje kwam door de kamer sloffen.
Maar mijnheer stond op, resoluut, dee de kamerdeur open en riep: „La-bellen, Jans!”
„Niet ope make, meneer?”
„Nee — la-bellen!”
Jans slofte terug.
Mevrouw, meneer en Keeshondje keken elkaar aan.
Mijn vele vrienden, het zal noodig zijn u iets mede te deelen van mevrouw èn meneer èn keeshondje, alvorends het luguber relaas van dezen angstavond te continueeren. Diene als proloog, dat mijnheer Duimelaar schraal, lang, knikkebeenachtig