ANGSTAVOND.
en kippig was. Een gouden bril beglaasde zijn been veilig hoofd. Zijne echtgenoote — alweder is het mij niét om het contrast te doen, zijne echtgenoote (een juffrouw Babs van d’r van) verheugde zich in het bezit van .... ge zult het, waar van een contrast gesproken werd, eenigszins vermoeden... verheugde zich in het gelardeerd bezit eener spek-vetjesachtige rondbolligheid. Mevrouw en mijnheer leden aan vermoord-te-worden-manie. Allicht is het releveeren dezer ondeugd onkiesch in dagen van nachtschuwlijke gruwbaarheid, maar de verzekering dat het echtpaar Duimelaar al van ’54, het jaar van hun stadhuisbezoek, aan vermoord-te-worden-manie leed, zal alle actualiteit aan dezen angst-avond ontnemen. Voor de ramen waren luiken met veiligheidssloten. De buitendeur had een ketting, een patentslot en twee grendels. ’s Nachts werden alle binnendeuren gesloten en keeshondje waakte. Voorzeker had de heer Duimelaar een bloedhond of buldog ter bescherming gekocht, ware het niet dat een gemeenschappelijke vrees voor tè groote honden hem en zijn vrouw daarvan ernstig terughield. Ook was hij vijand van revolvergelief-hebber. Een revolver is een gevaarlijk ding. Het gaat bij tijden vanzelf af, bij andere tijden springt het. De heer Duimelaar hield in niets van gewelddadigheid. Een kamer met véél sloten, een huis met véél grendels was hem ’t beste pantser tegen heftighedens des levens. Alsnu is het mogelijk om in richtig verband te vervolgen.
Mevrouw, mijnheer en keeshondje keken elkaar aan. ’s Avonds, ’s nachts half elf, wanneer men gezeten is voor een broodje met kaas en een kop koffie, alvorens gekuischt slaapvertrek te betreden, heeft het luiden van de schel in een afgelegen buurt iets zwaar-onbe-haaglijks. Van af ’54 was er zoo laat niet gescheld.