OPEN BRIÈF AAN Mr. S. A. VENING MEINESZ. 173
straks een einde maken aan dit „schandaal* — zoo zal de eerzame burgerij het noemen, — rest ons dan niet de wetenschap, dat er overal in deze goede stad starende stille oogen zijn in kleine kamertjes en dat ’t licht harer lokalen van geneugte en liederlijkheid een gat brandt in den donkeren nacht?
Toch riekt dit laatste, edelachtbare, naar provinciale overgevoeligheid. Wij zijn al zoo braaf niet meer in deze tijden. Komt het u voor, dat er eens een tijd zal zijn van beslapen bedden óveral? Voorwaar een tweepersoons veerenbed, mét peluw, mét kussens, mét dekens en stroomatrassen en dat alles voor drie-en-twintig gulden, ’t is niet duur, niet duur, niet duur.... en nu zie ik ze weer de kinderoogen, vochtig wit, met fel-brandende zwarte stippen en ’t gedroom bij ’t gaslicht, ’t gedroom van ’t smalle gezichtje, den openhangenden mond met ’t vingertje er in. Zoo iets kan hinderlijk worden, nóg hinderlijker dan de oogen van Jac van Looy. Hebt u dién brief gelezen?
Met allen verschuldigden eerbied,
Uw dienst, dienaar,
S. Falkland.