172 OPEN BRIEF AAN Mr. S. A. VENING MEINESZ.
Zoo heb ik wel eens teringlijders gezien en zoo verbeeld ik mij oogen van krankzinnigen, véél marmer-wit en git-glinsterend starend zwart.
Edelachtbare, wat is er van den nacht, van den Amsterdamschen nacht? Ik ben een boer geworden. De verhoudingen der stadsdingen ontgaan mij. Een mug neemt de proporties aan van een olifant en bij tijden bekruipt mij de domheid dat alleen iets zeer gewelddadigs, iets griezeligs, iets van geheimzinnig donker en bebloede messen deze eerzame burgerij opschrikt, terwijl de langzame, erg-rustige, niet-gillende vermoorden haar onbewogen laten. In scheikunde nietwaar is verbranding en langzame verbranding en er is onderscheid tusschen een aan mazelen overleden poedeltje en een aan de speld doodstuipen de vlinder? Wat is er van den nacht? Als ik aan die kinderoogen denk op ’t slappe koord, ’s nachts drie uur, krijg ik de onnoozele visie van een lang-eentonige besneeuwde laan, met boomen als fonteinen van raggerig zwart en een loom invallenden dooi bij grauw-vetten hemel. En ’t krakerig plakken van de natte, paffe sneeuw en de klamme, leelijk-witte oneindigheid van de laan met fonteinen van zwart en ’t plomperig neerkwakken van brokken sneeuw èn de aanzwellende, triestige, matte melankolie der dingen. Ik weet wel dat dit gekkigheid is, dat deze visie niets te maken heeft met ’n paar meisjesoogen van vochtig wit en 3tar-glinsterend zwart, maar de melankolie van ’t een sfeert samen met die van ’t ander en bij herhaling vraag ik mijzelf af, wat er afschuwelijks is aan een daad van ruw geweld, aan een wegdondering van leven, aan een doode om wie of om wien een griezel-nymbus is, wanneer voor onze gemoedelijke oogen langzame vermoording niets emotioneels meer heeft. En wanneer de dienaren uwer politie