OPEN BRIEF AAN Mr. S. A. VENING MEINESZ. 171
geslacht, zulks was mijn cynisch voornemen. Maar haar oogen keken ’t weg en ik vermeende beter te doen dit zeer intiem schrijven aan u te posten.
Edelachtbare, er is toch veel droevigs in dit leven. Weet ge hoe haar kinderoogen waren? Als ze op het slappe draad stond, keek ze angstig-onafge-broken naar de Bierreclame, waarnaast de haak van het draad was bevestigd en ze knielde en liep en zwaaide met vlaggetjes en wrong door een hoepel en keerde zich om en d’r pa stond er onder om haar te vangen als ze mocht vallen. Ge kunt u dit wel voorstellen, niet waar, een mager kind, mager van beentjes en armen. Wat de menschen noemen een schaap. Wat de burgerij noemt: och wat een bleek kind. Wat de meer gegoeden noemen: wat ’n verwaarloosd meisjè. Als ze gedaan had, om twee uur, — om drie trad ze weer op — ik herhaal u, wij hadden een veijaarsfuifje gehad — kwam ze van ’t tooneeltje, sloeg in een hoek een grijs man* teltje om en hurkte vlak bij ’t podium op ’n stoel, bij *n tafel met leege glazen en rommel. Boven begon een Duitsche vrouw een deuntje te galmen. Aan de tafeltjes zaten de gasten in Zondagavond-vrooüjkheid. Elkeen had iets voor zijn belangstelling en in den hoek — neen, géén sentimenteellieverige beschrijving voor mama’s die meisjes van dien leeftijd hebben, volgt — zat ’t kindje, bleekjes, zooals
gezegd een schaap of — ’n bleek kind — of ’n
verwaarloosd meisjè.
Maar de oogen. Vindt u ook niet dat oogen wonderlijke dingen zijn, wonderlijk van vochtig wit, wonderlijk van mysterieus zwart? ’t Kindje zoog op een vinger en keek in ’t gaslicht. Niks van de
zaal zag ze. Niks van de menschen. Slaperig-opge-
schrikt keek ze naar de gasvlam. Het oogwit was groot. Het oogzwart was heftig van glinstering.