170 OPEN BRIEF AAN Mr. S. A. VENING MEINESZ.
moorden, dat haar allicht de luttele dingskes des levens ontgaan.
Maar, edelachtbare, in deze eerbare stad, in deze stad met veel vroede mannen en een Heilighen Raed, in deze stad waar beddenmagazijnen elkander heftiglijk bestoken, ledikanten, wiegen en kinderbedden bijkans voor niets te koop zijn, kan soms het kijken van een paar kinderoogen wonderlijk suggestief worden. En zulk een paar vervolgen mij — ik verzoek u mijn verzekering te aanvaarden, dat dit geen pathos of zinwending is — van af dien nacht. Eerst om twee uur, daarna om drie — op het program staat ’t met vette letters vermeld: Ten drie uur optreden op het slappe telephoondraad — vertoonde een meisje van negen of tien jaar, haar kunstjes. Zwaar was mij de verzoeking — edelachtbare — om van 't geen ik zag een lieve schets te maken. Want wij schrijvertjes zijn in-die-mate gedegenereerd, dat wij bij de minste aandoening, ons gevoel aaien en streelen en verwarmen om er een lief of een mooi of een sen-satie-makend schetsje, novelle, sonnet, roman van te bereiden. Wij zijn zoo. Er valt niets aan te doen. Wij zijn gevoelspasteibakkers en bespionneeren het leven op listige wijze om er een beroemdheidje uit te distilleeren. Op mijn woord: dokters, begrafenisondernemers, rechters en schrijvers, ze worden allemaal éven cynisch. Zwaar ging ik dus van de gedachte: Dat is een schets voor je, — dat is een héél lieve schets en wanneer je met soberheid dit boeltje beschrijft, dit kind van negen of tien jaar dat twee, driemaal diep in den nacht met de magere beentjes op ’t slaphangend telephoondraad kunstjes verricht, dan kun je zeker zijn van ’n goed 1 i e t e e-rair, zoowaar lieteerair schetsje te prutsen. Bij de assche mijner voorvaderen tot in het honderdste