KIND.
Hoe heet je?”
»
» • • •
„Nou-ou?”
„ ... Mientje . .. *
„Zóó. Heet jij Mientje? Nou, da’s knap van je. En hoe oud ben je?”
„ .. •
„Hoe oud ben je?”
„Zes jaar.”
„Zoo, knappe meid. Ben jij zes jaar. Wi’k je je manteltje uittrekke? O, wat is de voering kapot. En nou je hoedje af, hè?... En ga jij daar nou is zitte. Dan ben je ’n knappe meid, hè?...”
’t Kind smalbleek, met kringetjes onder de zwarte oogen, wiebelde verlegen met ’t eene voetje tegen den leunstoel. Terwijl dekte mevrouw de tafel en praatte met ’r.
„Hou je van gehak, met aardappeltjes, hè?”
„ ...
„Nou, niet zoo verlegen zijn. Ben je je tong kwijt? Hou je van gehak met aardappeltjes?”
„ . .. Ja-a.”
„ ... En van worteltjes?”
» ... Ja-a.”