DINGSKE VAN FANTASIE. 157
er behagen in. ’t Was alsof de blaren ’t fluisterden, alsof de zeewind er koel langs gleed. En na elke zangerige zinging van woorden luisterde hij of-ie niets anders hoorde, niets van ’t gróóte wonder. .. „Blaadjes van zeewiergroen .... Sprietjes van distel-geel... Ben je niet bang benee... In ’t donker kuiltje .. . Boven is zonnelicht... Maan lacht met gek gezicht... Hoor je zee klagen .... ’k Zag eens ’n dooie rat... Die-ie vol kevers zat.. . Wurmen die kruipen . .. Warm was je in mijn zak... Waar ’t ook donker was ... Maar niet zoo kou-oud .. . Boven is zilverlicht... Al trekt-ie gek gezicht... In-in de wolken...” — Rut stoorde hem. Rut hoorde ’t zachte zingen, rukte an de ketting, klaagde verdrietelijk.
„Ga je leggen! Wil je gaan leggen!”
Grommend zakte die neer op de sterke pooten, keek ’m aan met z’n groen-borende oogen.
Zou ’t kwartier om zijn? — ’t Was ’n kwartier. — Na een kwartier gebeurde hèt wonder. Nee, zóó lang had-ie nog niet gewacht. Ophurkend keek hij naar de verre zee, die een meer van twinkel-licht leek. Tegen den schel witten hemel stond ’t zwart van de boomen, stammen hoog en zwaar, met melkvlakken er tusschen; hoogerop: fijn schaduwend pluiswerk, ragge draden en zwarte vlinderlijfjes. Bij de struiken speerden lange dunne naalden, verward en krasserig. Er onder was een wollig, schuw gedoezel van melkwit, zwartbruin en schemer-schaduw.
De blaren scharrelden melodieus in den wind, maar zijn volle ingespannen aandacht was nu bij ’t omwoelde plekje, ’t Licht was niet sterk genoeg. Tegen z’n broek streek hij ’n dikke lucifer af. De zwaveldamp sloeg in de oogen, de wind woei ’t vlammetje uit. Nog eens dee hij ’t, lichtte tusschen