152 MAANFANTAS1E.
keek naar den zwijgenden zwarten. Met oogen, brandend van haat, mat hij den ander — schreeuwde nog eens heesch: „Verweer u!” — en zonder ’t vizier neer te laten, boorde hij de speer in den zwarten schaduw. De schok tegen den steen was hevig. Uit ’t zadel gelicht, stortte de ridder op den grond, bleef liggen. De witte kapmantel met ’t purperen kruis plooide om hem als een kleed.
Het paard stond iets verder stil met een zwart paard er naast.
En achter het gevallen lichaam, dat gedekt werd door ’t roode kruis, kromde de donkere schaduw van den gevallen zwarten man.