MAANFANTASIE.
In het veld nu, op *t vertrapte groen, vloog het witte paard, schuimend, snuivend, dompklotsend in één felle witte lijn. En vlug, geluidloos, vervormend, uitrekkend tot gedrochtelijke afmeting, inkrimpend bol-dik, sloop ’t zwarte mee, genageld aan de blanke paardenhoeven. De wind, sterker geworden, gierde suizend om de malie, deed sterker klepperen den witten kapmantel, waarop het roode kruis als een bloedvlek lag.
Door de gleuven van het vizier keek hij met groote glinsterende heete oogen naar den schaduw, bukte zich, stootte toe in het ledige, zwenkte ’t paard in een woesten ruk, stootte weer toe, holde den vluchtenden zwarten achterna, de speer in den sterken arm, het zwaard kletrend aan den zilverketting.
Even was de maan weg achter de boomen, zag niets, tastte hij in ’t donker, maar weer opnieuw op de wijde vlakte van zilverlicht, glanzend in zijn wapenrok met ’t roode kruis, zelf-lichtend onder den helm met de roode en witte pluimen, voortjagend met den witschuimenden mantel met ’t bloedkruis, gebogen achter *t schild van parelmoeren glans met ’t vinnig-roode kruis, stuwend de speer met de klein-witte banier, donderde hij toe op den zwarten, zwijgenden vluchteling. Het paard hijgde, klotste met de sterke pooten over den harden grond, steigerde schichtig bij ’t priemen der sporen, zwikte in de voorpooten bij ’t snelle draaien, richtte zich op, wild onder een nieuwen slag, stortte voort in ’t maanlicht met de kruisbanier voorop, briesend, vertrappend ’t gras op ’t veld.
Toen hij ophield, verhit, moe, stond de zwarte ridder stil. De kruisridder sloeg zijn vizier terug,