MAANFANTASIE.
pluimen van den ridder en van den zwarten veerden gelijk.
„ ... Dan in naam van den Christen God, in naam van het Kruis, verweer u!"
Met een hellen klank viel ’t vizier. De sporen vlamden het paard op, dat toestoof naar ’t ledige. De witte mantel kolkte in de windzuiging, de helmpluimen, rood èn wit, striemden naar achter. Het lichaam gebukt over den hals van ’t paard, achter ’t schild, met het roode kruis, zat in de vaste geslotenheid van het schubharnas. Dof dreunden de paardenhoeven, vertrappend den zwarten man. In ’t zilveren, breed-uitdeinende licht, schoof de ridder op ’t vizier. De kruisbanier, slap langs de speer, raakte den grond. De vijand was weg. Met een lach over ’t witte gelaat, draaide hij ’t paard, om zijn weg weer te gaan. Maar star op ’t zwarte paard, hoonend zeker in ’t zaal en de speer priemend-omhoog, wachtte de zwarte ridder.
Een schreeuw van woede schaterde over 9t grasveld, verschrikte den zingenden vogel. Het vizier klepte neer. De gespoorde harnas-beenen boorden aan tegen ’t witte vleesch van ’t paard, dat schel-pijnlijk hinnekte, steigerde in ’t maanlicht, met zwarte gitbewegingen van de groote oogen. Woest was de sprong. De grond dreunde hevig. ’t Ijzer van de hoeven verplette de grashalmen. De speer sloeg een wond in ’t maanlicht. De zilveren franjes ritselden, de pluimen drukten zich aan tegen den helm, de witte mantel met het groote roode kruis, klepperde met wijde bulten en deuken.
Langs ’t paard, vastgegroeid aan de witte pooten, meeslaand elke beweging, draafde ’t zwarte paard met den zwarten zwijgenden man, met den grooten golvenden mantel, met de zwarte pluimbos en de zwarte gevelde speer met de zwarte banier. Midden