MAANFANTAS1E. 149
duw weer voor, de schaduw van paard, man, helmpluimen, speer. Driftig hield hij ’t paard in, velde de speer en sprak:
„Bij mijn graaflijke eer — man van zwart — wie gij zijn moge — het is mijn wil dat gij uws weegs gaat.*
Onbeweeglijk zat de schaduwman op ’t onbeweeglijk paard. Z’n zwarte speer stak langs den kop van ’t zwarte dier. Alleen de zwarte pluimen op den helm raketten tegen elkander.
„Verdoemde zwartkop... zoo gij denkt dat uw tartelijk zwijgen schild zal zijn voor mijn speer...
Verdoemelijke lafaard! Waar zijt gij gevlucht ?...
Zijt gij bevreesd voor de kracht van mijn arm ? ... Ik zeg *t u nog eens, zeg ’t u nog eens dat ik wil zijn alléén.*
Vlug met een vroolijk gewipper van zilveren franjes aan den rand van den kolder, draafde 't beest. In een boom van luchtig zilvergroen, zwart met zilveren loovers, sloeg een vogel een langdaverend, galmend lied. Fier, met den helm recht op, reed hij in de vallei, ’t maanlicht op de zilveren schubben van zijn uitrusting, het wit van den mantel, met ’t purperen kruis, klappergolvend in den wind.
De zwarte man, sterk in ’t zaal van z’n zwarte paard, sloop zacht weer naar voren, nu de maan achter den ridder kwam. En weer met een kreet van woede hield de ridder ’t paard in:
„ ... Ben ’k de heer van mijn zwaard of de knecht van uw spot... Zoo er moeds in u is: zet uw schild voor mijn speer... Van de menschen tart niemand mij... Wie zijt gij sluipend-licht-schuwe ? ... In naam van God, in naam van kruis dat ik dien, gebied ik nóg eens.*
De vogel zong, de blaren ritsten rustig, de helm