148 MAANFANTASIE.
bengelden met metaalklank tegen den geharnasten hals van ’t dier. Het zwaard schuurde aan den zilveren ketting.
Plots in de vallei, in het midden van het wijde stoppelveld, struikelde het paard, deed hem opschrikken uit zijn vreemde bewusteloosheid. De hand trok de teugels aan. De sporen kittelden de bloote flanken. Met een ruk van heftig-steigering, opschuddend ’t sterke lichaam op de achterpooten, schokte het dier met een verren sprong vooruit. Sterker wapperden de rood-witte pluimen, boller spande het witte kleed met het gapende roode kruis, heftiger lichtten de matte harnasdeelen in ’t bleek-zilveren licht.
Maar met een scherpen stoot aan de teugels, schrikkend voor wat hij zag, hield hij ’t beest in. Ruwe uitblazing van adem stootte door de neusgaten. Het beest trilde, stond stil.
Het vizier opslaand, met het witte gezicht tusschen den helmrand en ’t kinstuk, keek hij naar den zwarten, vinnigen schaduw op den grond en sprak trotsch:
„Ga uw weg. Niet past het u mij te volgen. Of bij de eer mijner vaderen. . .*
Met een lach van minachting reed hij door, zilver en wit in ’t maanlicht. Het paard hinnekte, zwiepte met den langen staart van witte haren. Daar hij nu tegen het licht inreed, zag hij den schaduw niet meer, die schuin lang met een lang-smallen helm en helmpluimen als boomtakken, aan de eene zijde meeholde. Zonderling van tegenstelling was het wit van den wapenrok, het wit van den mantel, het matzilver van het schild, de dof-witte schemering van het paardenharnas — met het scherpe, harde, vinnige-zwart-belijnde op den grond. Achter het boschje, ruw-zwart, kwam de scha