MAANFANTASIE. 147
op den maliënkolder — op de roode kruisen, op de lange speer met de kruisbanier. Het paard draafde. De holle klotsen op den harden grond dreunden aan tegen de bergwanden, echoënd, drie-viermaal, als geklop tegen de steenen aarde. De wind stoeide in de pluimen, bolde den kapmantel op. De banier kletterde aan de speer.
Door de bergpas, tusschen de massieve, hooge wanden van graniet, tusschen massale schaduwen van steenklompen trok hij, langzaam, kijkend naar de hand die de schupjesteugels hield. De lichtspie-geling op ’t hoofdstuk van ’t paard, op de ingevoegde schalmen en matblanke schubben, was bij zijn enormen handschoen.
Zacht, nog uit de verte, als helle kinderstemmen in nevel, beierden de klokken.
Een vrouw met een tipmuts, geheel in zwart, met een slab voor de borst en breede wrongen op de mouwen, kwam voorbij, haastig, bang voor den nacht. Schuw week ze uit voor den ridder, die haar niet zag, die te kijken zat naar ?t lichtge-spiegel op den ge harnasten kop van ’t paard.
Beneden lag de vallei groen-schaduwig in den voeg der zwarte bergen. De maan zette de wuivende boomen, het grijs van den weg, het groen van ’t breede grasveld in zilvergroen. Bijkans was ’t dag. Aan één zij, alleen, was een breede, zwarte schaduw van overhuivende bergen. Op de laagste lijn, fèlzwart tegen den lichten, breed-witten hemel stond ’t silhoeët van ’n eenzamen hamel.
Hard klotsten de paardenhoeven, als zware hamerslagen.
Nu was zijn hoofd wat meer gebogen, in vreemde, doffe gedachten. De teugels hingen slap,