144 DE ZEVEN VETTE DAGEN
worteltjes en aardappelen. Griespudding met alebes-sensaus na. Da’s de eerste keer dat je an je tafel eet, hè?
De kraamvrouw. Wil je gelooven, da’k uitgehongerd ben tegen dezen tijd? Je mot rekenen, dat ’k niks anders eet dan brood den heelen dag. .. Dat schijf-ie vleesch zal ’k voor me man wegleggen ... Als ’k d’r an denk, dat-ie niks anders krijgt dan aardappelen met uitgebrajen kaantjes. Hoe vin je dat kind groeit ?
Het dienstmeisje. Wat zal me dat ’n dikkert worden! Je mot ’m toch heusch niet zoo op die speen laten zuigen.
De kraamvrouw (likt 7 bord af). Je mot me niet kwalijk nemen, maar ’k neem alles wat d’r van te halen is.
Zevende vette dag.
Het dienstmeisje. Hè! Eiken keer raak ik buiten asem van ’t trappenklimmen. Zijn me dat trappen!
De kraamvrouw. Da’s nou me man.
Het dienstmeisje. Dag, baas Blok. Wat ’n drukte op straat met den. Zondag. En die schooiers van jongens! Je mot zoo op ze passen, anders loopen ze je met schotel en al onderste boven.
De man. Ja ’t zijn smeerlappen.
De kraamvrouw (wikkelt den doek van den schotel). Nou kennen we allebei is aanzitten. Gister had-ie net z’n laatste dag werk; zeg, kalfsvleesch met andijvie en aardappels. Rijst met krenten. Nou ga ’k is breed uitzitten.
Het dienstmeisje. Morgen zal ’k wel niet meer terugkomen.
De kraamvrouw. Al morgen niet?
Het dienstmeisje. D’r zijn weer twee bevallingen