DE ZEVEN VETTE DAGEN 143
De kraamvrouw. Gister was ’k te moe om te eten. Dokter zei dat ’t ’m an versch gebakken brood lag, dat ’k ’s morgens gegeten had. Me man het an de biefstuk gesmuld. Je had ym moeten zien. Den heelen nacht het-ie van de vreemdigheid wakker gelegen. Ant zei-die toen we om vier uur van morgen allebei lagen te woelen — we hebben niet zooveel plaats met z*n vieren in de bedstee — ’k zou ’t toch niet elleken dag kennen hebben.
Het dienstmeisje. Smaakt ’t ?
De kraamvrouw. Die kip van eergister, was om dood te gaan zoo lekker, zoo goddelijk-heerlijk.
Het dienstmeisje. Ik ben d’r ook dol op. Kan je je nou begrijpen dat meneer d’r zich tegen gegeten heeft? Die kan geen kip luchten. Die mot *n kuiken of zoo iets apart hebben.
De kraamvrouw. Eten ze bij zulleke rijke mensen nog gestampte pot?
Het dienstmeisje. Nee. Dat eten wij in de keuken.
Zesde vette dag:
De kraamvrouw. Kom maar binnen!
Het dienstmeisje. Ben je heelemaal aangekleed? Nou, da’s de moeite waard.
De kraamvrouw. Dokter zei da ’k 9t maar is probeeren most. Mevrouw is hier geweest.
Het dienstmeisje. Ja, dat het ze me gezegd.
De kraamvrouw. ’k Lag net den grond te dweilen. Zoo, zei-ze, ben u al zoover! Stientje had me gezegd dat u nog te bed lag. Nou, dat doet me plezier. Ze was erg vrindelijk. Voor me man bracht ze twaalf sigaren mee en voor ’t kind ’n rammelaar. Wat krijg ’k vandaag voor lekkers?
Het dienstmeisje. Rosbief. Drie dikke snejen met