142 DE ZEVEN VETTE DAGEN
eieren. Hou je van spersieboontjes? En dan is ’r hier nog een half flessie wijn.
De kraamvrouw. ’k Heb nou geen trek. Ik ben zoo moe. Zoo dood-op.
Het dienstmeisje. Kom, nou maar wat eten. Daar sterk je van op. Wat is me dat kleine ding gegroeid! Laat je d’r zoo maar op ’n droge speen zuigen. Da’s niks gezond hoor!
De kraamvrouw. Dan is ze stil. Anders schreeuwt ze den heelen dag om de borst.
Het dienstmeisje. Heb je d’r armpie al voorzien?
De kraamvrouw.... Ach gut.. . laat me nou effen leggen ... ’k Ben zoo moe.
Het dienstmeisje. Zal ’k *t maar op een van de borden van de kast doen?
De kraamvrouw. Da’s goed. Dan kan me man ook ’n stukkie proeven. Die is de smaak al zoo lang vergeten... Hè, wat ’n pijn in me zij ... Wat ben ik moe!
Vijfde vette dag.
Het dienstmeisje. Zoo. Nou doe je verstandig, ’t Is beter nog in bed leggen, dan te gauw d’r uit.
De kraamvrouw. ’k Voel me nu ’n heel ander mensch. Tot vier uur ben ’k opgeweest.
Het dienstmeisje. Vandaag hebben we gestampte pot. Mevrouw het *r wat saucijsjes en ’n stukkie klapstuk bijgedaan. Rijst met safraan, lust je zeker ook?
De kraamvrouw. Je kan wel zien dat mevrouw geen kinderen gehad heeft. Safraan mag ik niet hebben. Wil je kleintje zoolang vasthouen ?
Het dienstmeisje. Morgen middag komt mevrouw je opzoeken, het ze gezegd. Maar je mot ’r niet vast op rekenen. Bij ons is den heelen dag zooveel anloop, dat mevrouw niks vastigs beloven kan.