DE ZEVEN VETTE DAGEN.
d’r niet waren! Na vieren zie ’k zelden iemand tot me man om acht uur van z’n werk komt.
Het dienstmeisje. Verdient-ie goed z’n brood?
De kraamvrouw. Nou heeft-ie nèt drie weken vast werk. Volgende week krijgt-ie gedaan.
Het dienstmeisje. Wat doet-ie?
De kraamvrouw. Grondwerker.
Het dienstmeisje. Wie maakt z’n eten klaar als je niet bij de hand ben?
De kraamvrouw. Me schoonzuster. D’r valt niet veel om klaar te maken. Wil je gelooven dat me dat opknapt!... Eten jullie eiken dag zulke lekkere dingen?
Het dienstmeisje. Pas op je morst saus op je hemd.
Vierde vette dag.
De kraamvrouw. Ja!
Het dienstmeisje. Zoo zit je op? Nou da’s vooruitgaan, hè?
De kraamvrouw. De dokter was om twee uur hier. Die zei, je kunt nou wel wat opzitten, ’k Voel me moe hoor. Als me man maar gauw komt, om me te hellepen.
Het dienstmeisje. Nou, dat kan ’k ook wel. Zal 'k je rokken losmaken? Mensch wat ben je mager. Hoe kruip je in de bedstee?
De kraamvrouw. Zet nou den stoel bij ’t bed. Zoo. En nou ’n steuntje. Hè! ’k Dank God dat ’k leg. Wat ben ik moe. Wat bèn ik moe. Voel me handen is warrem zijn van de koorts.
Het dienstmeisje. Zit je zoo goed tegen je kussen? Dat zal je wel lusten, hè? Heb je geen trek?
De kraamvrouw. Wat zit ’r in?
Het dienstmeisje. Een biefstuk met twee spiegel