140 DE ZEVEN VETTE DAGEN
Het dienstmeisje. Morgen zal mevrouw weer ’n half flessie wijn zenden... Wat is me dat kind gegroeid! Is ’t dóór onder ’t armpie ? Ach God, wat ’n schaap. Wat doe je daar tegen ?
De kraamvrouw (met vollen mond). Da’s de schuld van buurvrouw die d’r gebakerd het! ... Wat mot je d’r an doen?
Het dienstmeisje. Je steekt ’n gloeiende pook in water en laat ’m d’r in tot-ie koud geworden is. Met dat water wasch je ’t kind onder ’t armpie en dan goed poeieren. Geen wonder dat ’t zoo schreeuwt! Nou! Dodo! Dodo! ...
De kraamvrouw. Hoeveel kinderen het mevrouw ?
Het dienstmeisje. Geen een.
De kraamvrouw. Drinken ze bij jullie eiken dag wijn ?
Het dienstmeisje. Meneer en mevrouw wel. Wij hebben bier in de keuken.
Derde vette dag.
Het dienstmeisje. Goeden avond, slaap u?
De kraamvrouw. Wel nee. ’k Lag naar de klok te kijken.
Het dienstmeisje. Ben ’k dan zóó laat?
De kraamvrouw. Nee, je ben vroeger dan gister, ’t Is zoo gezellig om naar de klok te kijken, als je warm eten wacht.
Het dienstmeisje. Vandaag is d’r wat extraas. Kijk is.
De kraamvrouw. ’n Kippenpoot met appelmoes. Daar ga ik nou is góéd voor zitten.
Het dienstmeisje. Wie past je nou eigenlijk op? ’k Zie hier nooit iemand over de vloer.
De kraamvrouw (happend en kluivend). Me schoonzuster komt ’s middags een paar uur en de buurvrouw van benee komt wel is kijken. As die