DE ZEVEN VETTE DAGEN 139
Geef mijn ’t kind maar. Ach, wat ’n dotje, wat ’n lekkere dikke koonen. — Smaakt ’t? — en wat ’n haar al! Hoe oud is ’t?
De kraamvrouw (gulzig etend)... tien dagen.
Het dienstmeisje. Tien dagen? Je zou welzeggen ’n maand!. .. Mevrouw hoorde dat u nog zoo zwak was... Smaakt ’t?... Is ’t wel goed om kinderen zoo vroeg ’n mutsje op te zetten? Zweet daar ’t hoof-ie wel bij uit?
De kraamvrouw (etend). Zoo hè ik ’t met me vijf andere kinderen altijd gedaan.
Het dienstmeisje. Dodo!... Dododo! Dodo!... Heb u al vijf kinderen?
De kraamvrouw. Hier naast me legt d’r nog een, twee zijn d’r dood en twee leggen an de overkant... Wat ’n heerlijke saus!
Het dienstmeisje. Mevrouw het ’t zelf gebakken.
De kraamvrouw. Zeker rijke mense?
Het dienstmeisje. Ze houen drie meiden... Mot je dat vleesch nou zoo uit je hand eten, mensch! Is d’r geen mes?
De kraamvrouw. Vleeschmessen hou ’k ’r niet op na, hihihi! ... Wat ’n goddelijke maaltijd! .. . U mot mevrouw duizendmaal bedanken. Geef u mijn 9t kind maar weer. Hè, dat heeft me goed gedaan.
Tweede vette dag.
De kraamvrouw. Binnen!
Het dienstmeisje. Daar ben ik weer. ’t Is vandaag wat later geworden met de wasch. Wacht. Ik zal kussen effen opschudden. Zoo goed? Geef mijn’t kind maar weer.
De kraamvrouw. Zou gehakt niet wat zwaar voor me zijn?... Nee? ... Wat ’n lekkere tuinboontjes! Zeker uit de bus, niet?... Daar wor je 'n ander mensch bij.