DE ZEVEN VETTE DAGEN.
(Blijspel-on twerp).
Een zindelijke kamer, driehoog, in een buurt, grenzend aan een deftige gracht. In de bedstee een kraamvrouw met een schreeuwende zuigeling.
Eerste vette dag.
De kraamvrouw. Binnen!
Het dienstmeisje. Ben ik terecht bij vrouw Blok ?
De kraamvrouw. Die ben ik.
Het dienstmeisje. Mevrouw van Sant zendt u wat versterkends.
De kraamvrouw. Mevrouw van Sant... van de gracht ?
Het dienstmeisje. Precies. Zal ’k ’t maar is voor u uitpakken ?... ’n Lekker stukkie vleesch en wat erwtjes en wat aardappelen en ’n stukkie taart... en ’n halve flesch wijn.
De kraamvrouw (verrast). Duizendmaal dank! Duizendmaal dank!
Het dienstmeisje. Mevrouw het gezegd dat ’k maar zoolang moet wachten, tot u ’t gegeten heb. Dan kan ’k de schalen weer meenemen. Da’s makkelijk voor u niet? Wacht ik zal u effen helpen.