ONAANGENAME BRIEF AAN JAN VETH. 129
wijzer. Als je languit gelegen hebt met de gedachte aan dat en dat onderwerp, dat je zoo en zóó wil geven en even door de kamer loopt, glimlacht Jac. Hij glimlacht.
Hij is je levend gevoel van impotentie. „Ja, zóó wil ik ’t doen, zoo zal ’t mooi zijn!”, roep je warm — waarachtig, wel drie, viermaal heb ik met Jac staan te praten — en hij twinkelt met z’n eene oog. Als je geeuwt kan-ie je soms vriendelijk-goedkeurend toeknikken. Als je iets ernstigs zit te beweren tegen iemand in de kamer, heb je moeite om uit je zin te komen.
En nu! En nu! Terwijl ik dit schrijf, kijkt-ie me vierkant an. Als ’k even opkijk volgt-ie m’n minste beweging. Als ’k niet kijk, voel ’k z’n oogen die m’n gedachten vóórzien. Als ik lach, kijkt-ie ernstig. Als ik ernstig kijk, lacht-ie.
Met zulke portretten, amice, leg je geen eer in. Heb je dan zelf nooit lust om alleen te zijn?
Kan ’t je bevallen om bij alles en alles een getuige te hebben, altijd iemand die je aankijkt, die zich aan je vastzuigt? Kun jij goed werken, als ze je den heelen tijd, bij elke letter, elk woord, elke gedachte fixeeren, bespotten? Als ’n kennis van je zoo iets dee, trapte je ’m dan niet van je kamer af?
Waarom maak jij dan zulke portretten? Als je Leyds links laat kijken, waarom doe je ’t dan ook niet met van Looy? Links en rechts is daar geen ruimte meer? Denk je dat’t aangenaam, opwekkend voor iemand is, wanneer de dochter van de schooljuffrouw aan één zij galmt: „Sien ... Sien .. .. Sientje laat me los!” —, de vriend aan de andere zij ... „Van tingelingeling, van tingelingeling, van tingelingeling!” — en Jac spottend, fijntjes-glim-lachend, effen of ernstig door zijn brilleglazen gluurt? Die buste van Israëls in ’t Rijksmuseum zou me
Schetsen Falkland. II. 9