ONAANGENAME BRIEF AAN JAN VETH. 125
kortstondige, bij na-vergeten vriendschappelijkheid binnen enkele minuten door mij „met voeten getreden” zal worden. Want ik ga u onaangename dingen zeggen, ik kan u kort en bondig verwijten dat gij mét de dochter van de schooljuffrouw en met den smid van hiernaast deze kleine kamer — m’n rookende kachel wil ik niet meetellen — onbewoonbaar maakt.
Genoemde dochter vermaakt zich den heelen dag met ’t lied .... „Soete lieve swartkop, voel is hoe me hart klopt” ... Genoemde smid heeft gelijkelijk vreugd in ’t leven, klopt, hamert, bonst en zingt kerkelijke liederen. Alles in eenzelfde huis met kwartsteenmuurtjes. Wilt gij gelooven, amice, dat ik geëindigd ben met vermaak te scheppen in ’t eeuwige, drensende, schrik-gilletjes-achtige „Soete lieve swartkop — voel is hoe me hart klopt!” —, zelfs in het robuste kerkgezang, zelfs in m’n rookende kachel en dat ik nog op dit oogenblik mijn nieuwe pen in hevig bedwang moet houden om u geen onparlementaire dingen te zeggen? — En al kijk je me nou nog zoo an Van Looy; nou maal ik ’r geen sikkepit om en zal ’t d’r uit, zal ’t d’r uit, zal *t d’r uit! —
Om dezen toorn te motiveeren — ge ziet dat ik wel zeer kalm ben — moet ik u eerst spreken van ’t schoenmakertje. Die hing vroeger over m’n schrijftafel. Twee jaar lang heb ik hem geduld, heeft-ie me gesard, gehinderd, uitgescholden, verweten. Twee lange, lange jaren heeft-ie me begluurd, stroef, ernstig, zonder eenige welwillendheid. Twee oneindig lange jaren fixeerde-die, had-ie me onder z’n wil, vond-ie alles even beroemd wat ik dee, volgde-die me in de kamer, waar ik liep, waar ik stond, keek door den rug van den leuningstoel, zonder éen glimlachje, zonder eenige meegaandheid. Als ’r be-