HOOP.
Ze stond op en kleedde zich an.
Tük-tük-tük-tük, kakelden de kippen.
„Koest! *
Belabberd weer. De regen gutste over de dakpannen, glee in zabbelende stralen van pan tot pan, met gootjes en spatjes en stuivingen. Je hoorde den wind om de schoorsteenen rukken.
Tük-tük-tük-tük.
„Hoe laat is ’t?”
„Hallef tien.”
„Regent ’t buiten zoo?”
„Nou!”
„Geef me kousen is an!”
„Hier hebbie ze.”
„Gooi dan toch ’t raam open! ’t Stinkt hier om niet uit te houen!”
Tük-tük-tük-tük.
Stinken déé ’t. Bij ’t raam zaten de duiven in d’r hok, op ’n stoel stingen de vier raven; op den grond, tegen den schoorsteen kakelden de kippen, d’r naast waren de drie hanen, op de tafel de kooi met eksters, — maar ’t meest van alles, de meest god-delooze stank was van de reigers. Die vraten visch. Dan lagen de graten in het hok te rotten. Je wer d’r misselijk van.