IK PRA KTI ZEER. IX5
und Therapie” dat een arts nooit ongeduldig moet worden en evenmin kleine oorzaken en aanleidingen verwaarloozen. Wij wenschen dus te vermelden, dat wij een pijp rookten en dat een zware boer meubelen op z’n wagen laadde. Plotseling schoot een kleine zwarte hond op den man toe. Het beest stond hier reeds zeer ongunstig aangeschreven. Eenmaal, vóór onze tegenwoordigheid te dezer plaatse, was hij een vrouw aangevlogen. Nu beet hij den zwaren boer in diens kuit.
„Jou, kreng!” riep de boer.
Maar hij had het te pakken. Er kwam een kleine toeloop van nieuwsgierigen.
De zoon van den postbode zei, dat as ’t hem gebeurde, hij ’t mirakel ’n doodtrap zou geven. De bakker zei dat-ie d’r niks an doen kon. De vrouw van den bakker zei, dat de boer den hond opge-hitst had, want dat d’r op de heele wereld zoo’n makke niet was. De knecht van den bakker zei dat ’t niks gevaarlijk was, dat-ie wel zesmaal in zijn kuiten gebeten was. De boer zei, dat-ie ’t an de polisie ging angeven.
Wij rookten geduldig onze pijp, hoogaanzienlij-ken en geven U deze bijzonderheden in kleur en geur om U weder te doen inzien, hoe het volk in tijden van ongelukken en gebeurtelijkheden nooit den juisten weg weet te kiezen. Na een half uur belde de boer bij ons aan en vroeg ons te spreken. Wij legden onze pijp neer en stonden hem te woord. „Laat eens zien,” zeiden wij. De patiënt stroopte z’n broekspijp op.
Er vertoonden zich, geachte collega’s, een smerige, slijkrige, kapotte schoen met stukgetrokken oogjes, een paarse kous, gestopt en overgestopt, een forsche kuit, twee onderbroeksbandjes en een stuk van ’n eenigszins zwarte onderbroek.