FALKLAND INTERVIEWT DE POES. 197
F a 1 k 1 a n d. En bevalt het u op reis ?
De poes. Née, meneer. Ze stoppen me in ’n mand. Waarom doen ze ’t E n g e 1 niét en mij wel ? ’n Artist moet niet zoo behandeld worden.
Falkland. Heeft u een gedachten-voorraad over Ibsen’s laatste werk?
De poes. „Als de dooien ontwaken” heb ik met ongeveinsde belangstelling door Temooy hooren lezen en geheel ben ik het met Ibsen eens dat wij „steeds hooger” moeten gaan. Ook ik zou willen naar de daken. In mijn jeugd ontmoette ik er eens ’n symbolieken kater die mij van idealen sprak. Wij klommen samen tot op een schoorsteen. Het was een voortreffelijk oogenblik. De maan bescheen ons. Maar ach, niet alle daken zijn toegankelijk en mijn kater overleed aan een graat. Excuseer mij! Ik hoor de schel, moet mijzelve nog even belekken. Zoo kan ik niet optreden.
Falkland verliet de requisietenkamer, voldaan over hetgeen hij vernomen had, verheugd over de kennismaking met het bescheiden dier. En getrouwelijk gaf hij der poes gedachten weer.