FALKLAND INTERVIEWT DE POES. 193
De poes. Pardon — ik doubleer. Omdat mijn eerste voorgangster krabde (Engel kan je soms zoo venijnig beetpakken) en mijn tweede — men zegt hij was een kater — door den stalhouder die ’m geleend had voor muizen gerequireerd werd (ongetwijfeld een smoes), trad ik eerst na de tiende voorstelling op. En van huis uit ben ik niet nerveus, behalve in het vooijaar.
F a 1 k 1 a n d. Hoe is uw meening over Coquelin’s uitspraak dat een goed tooneelkunstenaar eerst dan het grootst is, wanneer hij bij de aandoening die hij heeft op te wekken, persoonlijk gevoelloos blijft?
De poes. Deze vraag, geachte heer, is lang niet voor de poes. Ik geloof dat wanneer een acteur huilen moet, hij eerst dan huilt wanneer hij tranen stort. Tooneeltrucjes acht ik onwaardig. Je hebt er die op de planken piano spelen op een instrument zonder mekaniek en het applausje slikken voor den muzikant achter de schermen. Je ziet ze champagne drinken, die geen champagne is en kouwe thee als wijn. Op mijn woord : ik verzeker u dat Engel me heuschelijke melk geeft, dat ik h e u s c h drink en me niet maar zoo hou. Coquelin praat malligheid. Als hij poes was zou hij persoonlijk voor tooneelmelk zéér gevoelig zijn.
F alk land. Heeft u zich reeds doen photogra-feeren ?
De poes. Natuurlijk bij Greiner in twee-en-dertig standen en later nog eens in twintig, ofschoon ik er principieel niet van houd.
F a 1 k 1 a n d. Hoe denkt u over het modern répertoire ?
De poes. Meerendeels Katzenjammcr, waarde heer.
Falkland. Wat meent u daar mede?
De poes. Ik bedoel dat als in het modem
Schetsen Falkland. V. 15