154 OPEN BRIEF.
Toen dee de meester ’t eindelijk zelf en die wéés ze. Met z’n allen keken ze in me mond. ’k Had ze wel kennen bijten! Nou de meester verstaat ’t. Met ’n wip had-ie de andere wortel beet. Je voelde d’r niks van zóó handig dee die ’t! Nou en toen was ’t gedaan. Maar ’n spoeling kreeg ’k niet. ’t Zou van zelf wel beteren. Maar nou kan ’k nog haast niet praten van de pijn, mijneer! Enfin, ’k ben 'r nóg gelukkig afgekomen. Want me moeder die had is ’n holle kies en die most zich óók laten trekken op ’t gasthuis en toen het die student die d’r helpen most zóo getrokken dat d’r heele kaak scheef zat en dat ze wel weken pijn an d’r kaak had. Toen ü me geholpen heb mijneer met dat zwarte goedje en die watten heb u me lang zoo’n pijn niet gedaan” ...
* *
*
Ongetwijfeld, hooggeleerde heer, is het slot van Coba’s weinig boeiend verhaal vleiend voor mijne kunde en listigheid. Ik zou het er bijna bij kunnen laten, ware het niet dat ik deze week met onverdeelde instemming het voorwoord las dat door u voor de brochure van den Nederlandschen Bond tot bestrijding der Vivisectie geschreven werd. Gij hebt daarin dingen gezegd die ik onvoorwaardelijk tot de mijne maak — ja zóó volkomen waar vind, dat ik enkele opmerkingen citeeren móét.
„ ... Dat men tegenover deze schoone verwachtingen, in den vollen ijver, door de zucht naar kennis gewekt, en de geest als ’t ware in beslag genomen door wetenschappelijke geestdrift, verzuimde zich nauwkeurig rekenschap te geven van z’n daden, als ingrijpende in ’t bestaan van medeschepselen, die zich tot 5t verrichten dezer zoo hoogst pijnlijke