„Die laatste schets van je, amice Falkland,” zei Leeuwtje over wien ik het reeds eenmaal had: „die schets van een verbroken huwelijk, heeft me doen denken aan een zure historie uit mijn eigen huwelijk en wel aan mijn huwelijksreis. Zönderlinger avontuur heeft zelfs Münchhausen niet beleefd. Heb ik je daar wel eens iets van verteld ? Nee wel ? Anders zou je er zéker al wat van gemaakt hebben. Wat ik je nu ga zeggen, blijft onder ons. Ik heb er niet den minsten lust in, mezelf overmorgen gedrukt te zien.”
Ik beloofde hem te zwijgen, meen bijgevolg g e-rechtigd te zijn, het verhaal af te schrijven.
„Een allermalste geschiedenis!” —, vertelde hij: „Ik was zoo arm als Job toen ik trouwde, mijn vrouw, de dochter van gezeten lieden, zonder geld. We ondertrouwden, hielden staande receptie met madera, port, gebakjes. Alles volkomen in den vorm. Want mijn schoonouders waren gezeten lieden — hier herhaal ik, maar dat doet er niet toe — en de bloedverwanten van mijn vrouw’s kant hadden zelfs eenige effecten in de melk te brokken. Nu gebeurde dit. Op de receptie had mijn aanstaande, mijn bruid, de onvergeeflijke dwaasheid op te snijden. Dat wil zeg