VEGETARIËR. 101
„Ik begrijp u niet.” —
„Karel wil met geweld vegetariër zijn, is niet over te halen van zijn principe af te wijken. En hij is zoo schrikkelijk zwak. De ziekte van vader èn van mijn gestorven zuster Marie. Daar valt niet mee te spotten, mijnheer. Nu laten wij hem in zijn geloof, stoppen hem zooveel mogelijk versterkende middelen toe — als hij ’t zou wéten zou hij bijvoorbeeld geen lepel van de soep drinken. En zoo smokkelen we overal vleesch in — als ’t maar éven kan.”
Zij zweeg, nog steeds verlegen.
„Zoo, zoo,” zei ik ontroerd: „is hij zóó zwak.”
„Heel, heel erg. En nooit koortsvrij ”
De meid stoorde ons. Ik droogde mijn handen, volgde het jonge meisje naar den tuin waar de thee klaar stond.
En de rest van dien avond was ik stil, telkens kijkend naar het mooie, eerwaardig hoofd van de moeder en het scherp-geteekend bleek gelaat van mijn pratenden vriend.
Dat is alles.
Zes maanden later is-ie gestorven. En nooit hebben ze hèm het bedrog verteld. De arme bliksem.