. .. Maar door slaapgedoezel, dat me als een zachtsluitend, niet drukkend, nauw voelbaar kleed» om gaf, stiet het schril geraas van de stoomfluit. Hel schrikte ik wakker. We naderden de stad. Het hoofd tegen het venster van den coupé aanleunend, zag ik de ouwe monotone zwart-golvingen buiten. De maan scheen flauw. Boven den glimrand van een sneeuwbleek wolkje, dreef-ie, flets en vermoeid, glijdend als achter een waas stuwende waterdampen. Benee wentelden de zwarte weilanden, zonder boomen, zonder greppels, zonder beesten, zonder groen, zonder hoeven. Het was een eindeloos traag gekruip van zwart, met een enkele klomp die zwarter leek en het schichtig gesidder van een rood lichtje — ergens achter ’n gordijn. Dan, vluchtig, snel öp-grijzend, snel vervagend, ging het geschim van een paal door het avondzwart en wat stalen draden snerpten met glansjes.
De trein kreunde over de rails, de coupé schudde vinnig. Wéér geleund in de bank, de stoffige muf-lucht die uit de trijpen zittingen, de gordijnen, de vloerloopers sloeg, ademend, voelde ik het kamertje met z’n geel-gedempt licht, waarin ik nu ganschelijk wakker zat, boven de rommelende wielen voort