84 BÜREN.
Maar al heel spoedig verging z’n pret en de man die nimmer gevloekt had, begon allengskes onbehoorlijk te vloeken.
Caesar die eerst gedwee aansloeg, werd na ’n poos wachten ongeduldig, beblafte kwaadaardig het gesloten huis. Hij had recht op admissie. Nijdig vloog-ie tegen het rasterwerk op, klaagde, huilde.
O, dat gruwelijk gehuil in den donkeren nacht.
„Hoor je?", zei mevrouw, wakker wordend in de linkerhelft van het 1 i t j u m e a u.
„Zou je zoo’n kérel niet ” gromde Brutus in
de rechterhelft.
De hond huilde hart-verscheurend.
De kaptein, die aan de achterzij van ’t huis sliep, liét ’m hartverscheuren, snorkte.
„Dat geeft ’n dooie in de femilie," zei mevrouw in de linkerhelft.
„Ga slapen,” schrikte meneer. Hij hield niet van diè praat in den nacht.
„Slaap jij met zoo’n ellendig dier voor je deur,* kreunde mevrouw.
Brutus stond op, trok het gordijn weg, tikte tegen de ruit. Caesar schrikkend van z’n vriend in zulk ongewoon gewaad, schoot achteruit, blafte krimineel, zette zich opnieuw, huilde het doddelend maantje aan.
Dat was de derde nacht.
En de vierde en vijfde bleven egaal verstoord. Caesar slipte weg tegen schemer, wou er in in den Nacht.
Z’n gekef en gejenk en angstig gehuil duurden tot de meid den bakker open dee. Eerst dan sliep Brutus in, loom, kapot.
Toen ging-ie serieus op bezoek, bang voor het litteeken-oor.
„En wat is ’r van uw dienst, mènèer," zei de kaptein ongemakkelijk.