Daar zijn fijnproevers in ons land, die zoo eens van uit de vèrte eene Hollandsche vertaling van Dickens — zij spreken van wijlen Dickens — besnoven hebben, en bij de meest ongepaste gelegenheden, als zij te hooi en te gras ’n brokje humoristische lectuur gouteeren, meelijdend-minachtend van ’n Dickens je mummelen. De tijden gaan, de tijden komen — mogelijk slipt mij deze schoone philosophische idee onder oudejaars-avondinvloeden uit de pen — schrijvers staan op, schrijvers verdwijnen. Maar Dickens zoo genoeglijk als een mode-vodje heen te vagen — een buitengewoon-uitnemend man te beglimlachen met papkoontjes van kleffe-inpotentie, lijkt mij een weinig önwelvoegelijk. Want niet tién Hollanders kennen den volledigen Dickens en van die tien hebben er waarschijnlijk geen vijf de taalkennis èn het onderscheidingsvermogen van taal-nuanceering, om den man als auteur gehéél te verwerken. Evenmin ken ik Dickens. Wat 'k van hem las was jaren geleden. Doch in mijne herinnering is hij gebleven een buitengewoon-geniale, een wiens glimlach over véle zotte generaties zal reiken.
Deez’ korte inleiding is te met een excuus voor hét ongewild Dickensachtige eener fragmentarische