VAN DE GEMEENTE-DEUR EN DEN APPEL. 79
Woest, groen van ingehouden drift, sloop bruidje — vader mocht ’t niet doen: die was te laf — naar de secretarie.
Kalm z’n pijpje rookend zat de secretaris achter z'n folianten.
Of-ie ’t dee om haar te sarren, nou die gemeene vent 'r zoo vuil had laten zitten? ’t Móst ’ruit — en daalijk.
Mag niét, zei rustig de secretaris, die zijn opvatting had van Artikel 112 — ’n jaar lang most ’t an de gemeente-deur blijven — de wet was duidelijk en de wet was geen kwajongen.
Bruidje schreeuwde, huilde — sloop schuw naar huis terug.
Als ze dat had geweten. Driehonderd vijf en zestig dagen. En één oorveeg...
Het was op den twee honderd drie en zeventigsten dag dat ik het dorp bezocht en het gegrinnek, gelach, gepraat onverflauwd vond.
En al weet ik niet, of de opvatting van dezen gemeente-secretaris eene algemeen-geldende is, als waarschuwing voor sommige heethoofdige jongelui meende ik haar te móéten publiceeren in het gewaad dat men historisch noemt.