7* VAN DE GEMEENTE-DEUR EN DEN APPEL.
tertje wel ’ns minder oolijk deed, maar dat ’t terecht zou komen. Jong bloed.
Anderen daags was de bruidegom verdwenen.
Niemand had ’m zien gaan.
Niemand dregde slooten en greppels af.
Niemand dacht aan ’n ongeluk, moord of aanranding.
Au contraire zei ’t heele dorp, alsof 't van zelf sprak, dat-ie gróót gelijk had, dat-ie al veel eerder ’r vandoor had motten gaan.
Wat ’r voorgevallen was wist niemand. Sommige dingen behoef je niet te weten, vermoed je op een afstand.
Maar in de gansche gemeente, van af grenspaal nummer zooveel, tot grenspaal nummer zooveel, was er geen lévend wezen die vóór het verlaten bruidje voelde.
Ze hadden ’r lol in.
’n Jongen die zoo’n feeks trouwde, was ontoerekenbaar, dee iets moedwilligs — was rijp voor koloniaal.
Bruidje thuis, geel van kwaadaardigheid, hield zich voorloopig ziek. Negen dagen, negen nachten bleef ze onzichtbaar.
De veldwachter dee inkoopen in den kruidenierswinkel (bij den kruidenier-lid-van-den-raad), kocht persoonlijk z’n meel bij den bakker, bracht eigenhandig het deeg in den langen zwarten vorm naar den bakker terug, ging tegen donker andere meer onteerende commissies doen — hunkerend naar den trouwdag die geen trouwdag zou worden, maar althans den naam van zijn dochter uit het getralied kastje van de gemeentedeur zou verwijderen...
Die dag kwam. Die dag eindigde.
De afkondiging blééf.