VAN DE GEMEENTE-DEUR EN DEN APPEL. 77
„Nee, niét an jouw klomp,” zeide hij, happend.
„Wèl an me klomp,” viel zij bitser uit.
„Niét an jou klomp,” zei hij ook iets driftiger. Wat drommel as-ie ’t sekuur wist.
„Hoe ken je zoo iets stoms zeggen,” snauwde zij: „heb jij de pitten van al de appelen geteld?”
„Nee,” redeneerde hij bot-goedig.
„Hou dan je domme smoel!”
„Hou jij je domme smoel!”
„Je mocht willen dat je mijn smoel had!”
„Jouw smoel?”
Eenigszins in dien trant — het is moeilijk ruzie i n den toon weer te geven — begonnen zij ’n twistje van geëngageerde jonge lieden, elkaar’s woorden vinnig herhalend, herkauwend — tot haar drift om eene oneerbiedige expressie zijnerzijds zoo hoog liep, dat ze hem een malschen draai om z’n ooren toediende.
Ze had daarmee moeten wachten.
Het was tien dagen te vroeg.
Bruid en bruigom kunnen niet te teer met elkander omgaan.
Eenmaal getrouwd, wordt de quaestie eenvoudiger.
Doch in de weken, voorafgaand aan die van het wittebrood, mag men zich wel als man en vrouw, eensgezind, liefhebbend, toegewijd, tortelduivend gevoelen: als man en vrouw handelen is ’n weinig voorbarig — ’t wreekt zich.
Onze jeugdige bruigom, die met de appelpitten in z’n recht was, sprong na een dusdanige be-leeding op als een tijger, liep de deur uit, zocht den veldwachter, klaagde, verweet.
De veldwachter fronste z’n wenkbrauwen, wrikte z’n pruim van links naar rechts, van rechts naar links, bevestigde dat ’t gemeen was, dat ’n appel vijf pitten had, althans hebben kon, dat z’n doch-