76 VAN DE GEMEENTE-DEUR EN DEN APPEL.
inclusief omstreken, toen op de gemeentedeur in het klein betralied kastje het voorgenomen huwelijk afgekondigd werd.
Niemand dacht aan bezwaren, aan wettige beletselen, aan verboden graad van verwantschap of zwagerschap —, niemand kreeg het in z’n hoofd te onderzoeken of een van de beide partijen reeds gehuwd was — de menschen deeën gewoon sprakeloos en als ze wat zeien, zeien ze met ’n verlegen lachje alsof ze niks meer van de ondergaande wereld begrepen.
Zoo zou ’t evenwel niet blijven.
Wel dartelen vele snoode en wreede dingen, wel ploeteren we in het onkenbre, onbegrijpelijke, maar dikwerf speuren we oplossingen, die we nauwlijks vermoedden.
Op ’n avond zaten onze geliefden — als bruid en bruigom — in des veldwachters woonkamer en aten appelen. Het zou over hun lot beslissen.
Reeds hadden eenige futiele twistjes, gister en voor-eergister, gewaarschuwd dat man en vrouw zich te plooien hebben naar elkanders aard en willen. Maar tot heftigheden of positieve scènes was het niet gekomen.
Zij aten.
„’n Appel,” zeide hij, mummelend met halfvollen mond, ,,’n appel is lékker eten” ...
„Ik ben d’r óók dol op,” antwoordde zij met dezelfde smakkende grot-stem.
Tot zoover was in hen beiden harmonie.
Doch het Vrééselijke naderde.
„Weet jij hóéveel pitten ’n appel heit?”, zei hij, wijs voor zich uit lodderend.
„Dat weet niémand,” zei zij weer.
„’n Appel heit vijf pitten,” sprak hij.
„An me klomp,” protesteerde zij, bang voor de mal gehouden te worden.