Kunst .... Ja, ja, dat hebben we gehóórd. Denk ’r an De Wet dat 't óver half twee is. Alvorens ’k den commissaris van politie doe binnenkomen, mijne-heeren, wou ’k u nog meedeelen, dat ik gisteren ’n brief heb geschreven aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche zaken, om ’t advies van Zijne Excellentie te vragen over de opvatting die Zijne Excellentie van artikel 188 heeft. Ik heb Zijne Excellentie verzocht mij zoo mogelijk voor tweeën uit den Haag op te schellen.
Stom. Da’s ’n prachtige inval, burgemeester.
Kunst. Ja, al zeg ’k ’t zelf, ’t was ’n gelukkige ingeving. Als de heeren de massa manuscripten, die naar ’k hoor in alle plaatsen van ’t land tot verderf van de natie worden toegelaten èn gespeeld, als de heeren die massa enkel aan de büitenzij bekijken, zullen ze begrijpen, hoe groot onze verantwoordelijkheid is en dat wij tegenover den Gemeenteraad als een rots staan, als ’n door de baren omspoelde rots, wanneer we den moreelen steun hebben van het hoogste gezag. Nee, mijne heeren, néén: „zij zullen het niet hebben, ons oude Nederland! Het bleef bij alle ellende Gods en der Vaadren pand *
Tol {geestdriftig) „Zij zullen het niet
hebben, de góden van den tijd! Niet om hun erf te wezen, heeft God het ons bevrijd!” (zacht handgeklap der anderert).
Kunst. ... We worden dus straks uit Den Haag opgescheld mijne heeren....
Stom. Bravo! Bravo!
De Wet. En dan mot u de Minister meteen vragen, of ik geen gelijk heb met schouwburgèn èn....
Kunst {schellend). ... As ’k je ’r gelukkig mee kan maken!...
De Wet. ’r Is hier geen sprake van gelukkig