DAG-VAN-AL ARM. 205
En alsof ’t onverwacht geraas en getril, dat in hoeken en gaten ’n echo scheen te vinden, niet genoeg was om de kamer in opschudding te brengen, joeg dolle Jans, die van alles ’n lolletje maakte, ze nog de stuipen op d’r lijf door met ’n gil-stem te roepen:
„Braaaand! Braaaaaaaand!” . . .
„Meid, hou je bek!”, zei Koosie, mèt Jans de jongste, en bleek van schrik liet ze de teenen uit ’r schort vallen: „Verrek jij met je gegil!”
Langzaam, ’t vuil van ’r handen kloppend, ’r rokken uitslaand, bewogen de vrouwen.
Mie, de zaalmeid, ineens wakker geworden, porde en schreeuwde.
„Vooruit! Schiet op! As ’r heusch brand is, doe je ’t dan ook op z’n elf-en-dertigste ? Vooruit Kee! Blijf-ie zitte, Merie? Mot ’t weer hommeles weze?” Bij de uitgangsdeur, mekaar bestommelend, ginnegappend omdat ’r zoo ineens afleiding was, drongen ze op.
Ze wisten allemaal wat ’t was, en behalve Marie, die pas in ’t Gesticht was gekomen, hadden ze de oefening al ’ns mee gemaakt. Debrand-oefening. De oefening waaraan de Directeur streng de hand hield, eens in ’t voor-, eens in ’t najaar, om de verpleegden aan den weg in ’t gesticht te wennen, voor ’t onverhoopt geval dat ’r brand uit zou breken.
Vandaag met ’t mistig najaarsweer, nu ’r gelukkig weinig menschen op straat waren — anders had ’t geklim der blinden langs de ijzeren brandladders, terzij van ’t gebouw, onnoodig en vervelend bekijks! — vandaag, zonder iemand te waarschuwen, om zich te overtuigen dat de boel goed marcheerde, had-ie onverwacht den portier order gegeven, om de electrische alarm-schellen in beweging te zetten. En wee, as de een of ander van de beambten, of