Trui, de zaalmeid, de handen paars-rauw van de wasch, waaraan ze den heelen morgen was bezig geweest, zat voor ’t raam der achterplaats te geeuwen, dat de tranen ’r over ’r mager gezicht drensden. Ze verveelde zich gruwelijk. yt Beetje uitzicht naar de buren, de loods, de bladerlooze sparreboompjes, 9t perk met de aucuba’s, was door een zwaar op de stad loomenden mist vervaagd. De achterzij der huizen met de anders opvroolijkende gevels, vensters en deuren, grauwde vormloos door den nevel. Je kreeg hoofdpijn en slaap as je na buiten keek. En as je je na de zaal toedraaide, wer je nog sjagrij-niger door ’t belabberd donker waarin ze te werke zatte. As ’t voor hun geen bestaan was, was ’t voor haar nog minder. Zij had ’r ooge. Voor hun was ’t krek ’t zelfde of ’t zonnetje scheen, of dat ’t mistte zoo gemeen as je ’t maar hebbe kon.
Warm van hoofd leunde ze achteruit, ’r bollen rug langs de latten van den stoel schurkend. Door ’r oogspleetjes, knipperend op de slaapbesluiping, die ze met suffige wilskracht probeerde te ontgaan — an niks had de dirrekteur zoo de duvel, as dat-ie je ingeslapen vond — door ’r toekwijnende oogspleetjes zag ze den troebeler dampenden mist, met