In geen maanden ben ’k tot m'n leedwezen aan de Zee geweest.
De Zee, de Zee, hoe vóél je ’r, na 7n poosje stads-gerommel.
Vandaag, op de ouwe inspireerende sofa, de sofa die falklandjes blaast als ’n pijpesteel matte en kleurige beften, heb ’k 't zeedorpje weer voor me gezien — de mestvaalt aan de overzij — de schutting met ’r vergane planken en deelen van ’n gesloopten logger — de groepjes visschers en wijven — de duinen met *t helmengewuif.
En zoo liggend, rustigjes droomend over dien uithoek, klonken al de bekende geluiden, het klapperen der klompen, het stoeien der kinderen, het blaffen der honden. Als je lang op ’n kleine plaats zit, glimlach je om de gebeurlijkheden, maak je je vroolijk over dorpsernst en dorpsbewogenheden, loer je mee achter de horren, als ’n vreemde passeert en op ’n regenachtigen Zondagnamiddag geeuw je in triestige verveling. O, hoe ken je — om maar één ding te noemen — de honden, de hónden van de plaats, de groote en kleine en manke honden, ’s Avonds, als ’n klein keffer-geluidje de in lamplicht prettig geworden stilte doorsart, zeg je tot mekaar:
SCHBTSBN FALKLAND, X. 13