HENRI KEER TERUG. 191
sappiger was dan de ruige schaal deed vermoeden.
Hij hééft temperament, spraken wij verrast — als hij verkiest te studeeren, toegewijd te studeeren, onder hardhandige regie te studeeren, belooft hij een dergenen te worden aan wie de ruïne op het vaderlandsch tooneel behoefte heeft.
De dooden — de Haspelsen, Albregt —, de nog levenden, Rosier, Veltman —, de helaas ouder wordende gróóten zijn niét vervangen.
De eminente vrouwen evenmin.
Er is verwachting, uitkijken. Soms schijnt iemand ’n pionier, ?n belofte-vaandrig — ’t heel aspect onzer tooneel-speelkunst gelijkt op architectuur uit de Pijp, stijlloos, begriploos, fantasieloos.
De burgerij ontwend te vergelijken, den toets missend, voorgelicht door stijllooze geweldenaars, aanvaardt quasi-eenvoud met bezield handgeklap, koopt prentbriefkaarten met vroeg-bedorven artisten-facies, amuseert zich.
Wij, dom, klein bendetje, kennen het verval» laten ons geen kouwe aardappelen voor citroenen verkoopen, tellen den stoet tooneelspelers af, blij als iemand belooft, blij als een vlammetje den sintelhoop belekt, blij met de verwachting dat vroeg of laat de kundige, niét alleen op moderne vleugeltjes drijvende, regisseur zal optreden, die vele natuurtalentvolle, verwaarloosde, te vroeg over het paard getilde jonge menschen tot ontwikkeling, bezieling, schoonheid zal opzweepen.
Gij waart één der lekkende vlammetjes, voor-noemd, Henri de Vries, dien ik vergiftigd heb, tot in de nieren ver-jonge-jand.
Welke kunst-uithoek wint er bij, of gij ergens in Engeland voort-jonge-jant.
Hiér had ge de helft van uw vak en de heele ziel uwer kunst te leeren.