190 HENRI KEER TERUG.
Vries in ons land zal vertoeven, hem naar verdienste te huldigen voor het ongemeen schitterende succes alhier verworven ... ?”
Henri keer terug! Dat ge in het Engelsch zeven rollen afgedraaid hebt — vergeeft de onaesthetische en van betrekkelijk respect getuigende beeldkeus! — heeft mij als auteur-van-het-geval niet weinig verbaasd. Ik noch andren zouden het u nadoen. Het is ganschelijk bijzonder en stemt ons plechtig. Maar, mijn beminde broeder in de kunst, op z’n zachtst gesproken — zoo dadelijk zeg ik hards — is ’t phono-graphisch inpompen eener andere taal een droevig trucje dat met tooneelspeelkunst zooveel gemeen heeft als ’t biesje op een vrouwenrok met het wezen eener vrouwenziel. De kunstzalige dagbladcorrespondent van hierboven smeekte U eene „huldiging" niet te onthouden. Afgestapt aan het Amstel-Hotel te dezer stede, is die huldiging in gebreke gebleven. Het is nóg niet te laat. Opgehitst door uw nachtelijk fantoom, wensch ik, de auteur, U eene dosis contravergift tegen uwe v e r-j o n g e-j a n n i n g toe te dienen. Ge hebt, zegt men, in Londen, een manicure, een pédicure — sta mij toe u eene kunst-kuur te doen ondergaan. Gij, waarde vriend, toondet inderdaad talent. Als hij ijverig werkt onder artistieke regie, kan hij later eene plaats innemen, zeiden wij onder mekaar. Hij is ’n man van bekwaamheid die leiding noodig heeft. Eene schoone Creatie, een den avond beheerschende rol, zag niémand van u. Ge reiktet niet aan de knieën van Louis Bouwmeester. Uwe begaafdheid openbaarde zich in kleinere rollen, onder leiding. Ge vertolkt et cynische kerels, viveurs, deedt weinig moeite voor waardiger schepping. Temperament: wie zocht het in u? Toen, mijn vriend, zagen wij het Monologen-spel en mekander beknikkend, bevonden wij dat uw kern